![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Prof. Dr. M.A.J. Romme
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Soort hulpverlening |
1e interview N = 80 |
Hele onderzoeksperiode N = 66 |
Alleen reguliere hulp: |
29 (36%) |
26 (37%) |
Alleen alternatieve hulp: |
13 (16%) |
12 (17%) |
Beide soorten hulp: |
15 (18%) |
12 (17%) |
Geen hulp: |
20 (25%) |
17 (25%) |
In tabel 2 wordt per hulpverleningscategorie aangegeven of de stemmen bleven dan wel verdwenen. Tevens wordt daarbij onderscheid gemaakt of de ontwikkeling onveranderd of verslechterd was, of dat er sprake was van een positieve ontwikkeling. In deze analyse werden alleen die respondenten betrokken die over de gehele onderzoeksperiode deelnamen.
Tabel 2: soort hulpverlening en verloop van het stemmen horen.
Hoort nog stemmen Geen stemmen ![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
Hulpsoort |
Totaal aantal |
Pos. ontwikkeling |
Neg. ontwikkeling |
Pos. ontwikkeling |
Neg. ontwikkeling |
Geen hulp |
17 |
1 (5 %) |
2 (12 %) |
14 (83 %) |
0 |
Alleen |
26 |
1 ( 3%) |
9 (35 %) |
10 (38 %) |
6 ( 23 %) |
Alleen |
12 |
3 ( 25 %) |
3 (25 %) |
5 ( 42 %) |
1 ( 8 %) |
Reguliere en alternatieve hulp |
12 |
2 ( 16 %)
|
1 ( 8 %) |
8 ( 67%)
|
1 ( 8 %) |
Totaal |
67 (100%) |
7 ( 10%) |
15 ( 22 %) |
37 ( 55 %) |
8 ( 12 %) |
Vergelijken we de kolom ‘stemmen nog aanwezig’ en ‘stemmen verdwenen’ dan gaat ‘verdwijnen’ in hoge mate samen met een positieve ontwikkeling, terwijl als de stemmen blijven er veel minder frequent sprake is van een positieve ontwikkeling.
Uit het onderzoek komt naar voren dat het verdwijnen van de stemmen geen voorwaarde is voor een positieve ontwikkeling. Op case niveau zagen we bovendien dat een eenzijdige oriëntatie op het verdwijnen van de stemmen, bijvoorbeeld wanneer de hulp beperkt blijft tot medicatie, ten koste kan gaan van de ontwikkeling. Ook was het op case niveau opvallend dat men bij eenzijdige vooral op het medisch model georiënteerde hulp waarin de ervaring van het kind geen of onvoldoende aandacht kreeg, meestal afhaakte en elders hulp zocht. Men zocht hulp voor concrete problemen, bijvoorbeeld omdat het kind te agressief was, op school met de stemmen liep te praten, dingen deed omdat de stemmen het opdroegen, problemen had met slapen en wilde daar aandacht voor.
Een evenwichtige aandacht voor beide aspecten, zowel de problemen door de stemmen als voor de emotionele ontwikkeling, bleek ons op case niveau het meest aangewezen. Wanneer we de effectieve elementen in de hulpverlening bekijken, dan zijn deze vooral gericht op beide aspecten. Dat een combinatie van reguliere hulp en alternatieve hulp een hoog percentage positieve ontwikkeling laat zien, kan op case niveau begrepen worden doordat de alternatieve hulp heel erg gericht was op acceptatie van de stemmen en ondersteuning daarbij, doordat de alternatief therapeut veelal zelf de ervaring kende en daardoor jeugdigen kon leren met de stemmen om te gaan. De reguliere hulp richtte zich meer op het leren omgaan met de emoties. Wanneer men uitgaat van de opvatting dat stemmenhoren een reactie is op gebeurtenissen of situaties die machteloos maken is de combinatie reguliere en alternatieve hulpverlening eigenlijk een ideale combinatie. Zeker gezien het feit dat stemmenhoren in deze populatie vaak begon na traumatische ervaringen ( bij 85% ) met een hoge emotionele involvering. Helaas lijkt uit de ervaringen van de kinderen met de hulpverlening dat de reguliere hulpverlening bang is om over trauma te praten.
Dat ‘alleen alternatieve hulpverlening’ lager scoort dan een combinatie met reguliere hulp lijkt op case niveau een begrijpelijk gevolg van onvoldoende (theoretische) diepgang en gebrek aan systematiek bij het leren omgaan met emoties.
Uit de analyses komen ook beschermende factoren naar voor zoals een duidelijke identiteit van de stemmen en de mate van waardering ervoor. Met een duidelijke identiteit is het mogelijk de stemmen als eigen persoonlijkheid te zien en ze ook als zodanig te behandelen, kritisch te worden naar wat de stemmen zeggen en een eigen mening over ontwikkelen. Het kan ook zijn dat stemmen die negatief lijken, toch positiever geïnterpreteerd kunnen worden. Heel simpel voorbeeld. Een stem die verbiedt om naar buiten te gaan, kan je beschermen voor wat er buiten is. Denk een na, wat is er buiten gevaarlijk voor je? Kinderen die de stemmen positief waardeerden kwamen significant frequenter niet in de hulpverlening.
Hulpverleningselementen
Op case niveau bekeken we de verschillende hulpverleningsvormen of elementen. Tabel 3 geeft weer wat door ouders en kinderen als effectief werd ervaren. Effectief betekent hier dat het bijdroeg aan met de stemmen leren omgaan en aan de positieve ontwikkeling van het kind.
1 Bevorderen van het gevoel van veiligheid. |
- voorlichting met aansprekende uitleg |
bevorderen van begrip. |
|
3 Ik-versterking. |
|
4 Achterliggende problemen doorwerken. |
|
5 Uitbreiding activiteiten. |
wielrennen, zwemmen voetballen et cetera
|
Discussie
Uit de literatuur en uit eigen onderzoek moeten we concluderen dat stemmenhoren op zichzelf geen ziekte is. Dit feit heeft consequenties voor de hulpverlening en betekent behandeling waarbij de stemmen geaccepteerd worden, de stemmenhoorder gestimuleerd wordt met de stemmen om te gaan en de persoonlijke achtergrond ervan leert kennen. Het gaat erom hulp te bieden bij de achterliggende problemen en het onvermogen om daarmee om te gaan, dit onvermogen kan leiden tot disfunctie en tot stoornissen. Biologische factoren lijken daarbij tot fixaties te kunnen leiden (Read, 20…).
Ons onderzoek laat zien dat als een kind stemmen hoort de kans dat de stemmen verdwijnen vrij groot is. Bij 60% van de kinderen verdwenen de stemmen en statistisch gezien leek dit niet samen te hangen met het in zorg zijn, maar met attributies en de voorspellers zoals hoge angst score, hoge depressie score, hoge dissociatie score en een hoge frequentie van de stemmen. Op case niveau zagen we echter dat de persoon van de hulpverlener en de soort hulpverlening wel van invloed waren. Kinderen die reguliere zorg kregen, waarin de hulpverlener vooral aandacht aan medicatie werd besteed en niet aan de ervaring zelf, werden in hun ontwikkeling gestoord.
Het hoge percentage kinderen dat aan het eind van het onderzoek geen stemmen meer hoorde of beter met emoties kond omgaan in relatie tot de stemmen en hun problemen, suggereert dat er meer gebeurd is dan alleen onderzoek. Het Mik, dat in aanwezigheid van de ouders werd afgenomen moet zonder twijfel een interventie zijn geweest. Het normaliseert de ervaring en maakt een dialoog erover mogelijk. Ouders waren vaak verbaasd dat de kinderen zo gemakkelijk over de zeer gevarieerde ervaring konden spreken. Het bestaan van triggers, de manieren waarop je met de stemmen om kon gaan, de relatie tussen de aanvang van het stemmenhoren en problemen en/of trauma, de invloed van de stemmen op het gedrag van de kinderen was meestal noch aan ouders noch aan de kinderen zelf bekend. Bij de oproep tot medewerking stelden we ons op het uitgangspunt dat het stemmenhoren op zich geen ziekte is, maar dat je er wel ziek van kon worden.. Ook dit heldere uitgangspunt had een positieve werking bij de werving. We slaagden er binnen een jaar in 80 kinderen voor het onderzoek te werven, iets dat ons niet gelukt zou zijn als we afhankelijk waren geweest van de reguliere hulpverlening. Van de 80 kinderen kregen we er zeven doorverwezen vanuit dit veld. Bias in dit onderzoek zou kunnen zijn dat we vaak gemotiveerde ouders troffen die de ervaring van hun kind niet te veel wilden medicaliseren en gezien de onderzoeksresultaten geven we hun gelijk.
In de loop van het onderzoek moesten we constateren dat ouders en kinderen minder bang werden van de ervaring en ze daardoor hun eigen vermogen om creatiever met het probleem om te gaan konden aanspreken. De meeste ouders waren zich niet bewust van de diversiteit binnen de psychiatrie zoals bijvoorbeeld de klinische en sociale psychiatrie en de consequenties die deze specialisatie had voor de behandeling van hun kind. Ze wisten dan ook niet wat ze van die hulpverlener konden verwachten. Tevens kwam naar voren hoe belangrijk het was dat de hulverlener aandacht had voor de ervaring van het kind. De ervaring een naam te kunnen geven, waardoor er communicatie mogelijk is (geen naam uit het psychiatrische vakjargon), dat je ermee om kunt gaan, maakte dat het kind weer deel van het gezin werd en niet geïsoleerd werd als een mogelijke drager van een ziekte. Zoals een van de ouders zei:”Ze is weer een van mijn kinderen en niet het kind met de stemmen.”
Achenbach, T.M. (1991). Manual for the Child Behavior Checklist (CBCL)/4-18 and 1991 profile. Birlington, VT: University of Vermont, Department of Psychiatry.
Achenbach, T.M., (1991). Manual for the Youth Self Report and 1991 Profile. Burlington, VT: University of Vermont, Department of Psychiatry.
Bernstein, E.M. & Putman, F.W. (1986) Development, reliabilty and validity of a dissociation scale (DES). Journal of nervous and Mental Disease, 727-735.
Escher, A., Romme, M. (1998) Small talk: voice-hearing in Children. Open Mind July/August.
Escher, A., Romme, M., Buiks, A., Delespaul, Ph., Van Os, J., (2002a) Independent course of childhood auditory hallucinations: a sequential 3-year follow-up study. British Journal of Psychiatry . 181 (suppl. 43), s10-s18
Escher, A., Romme, M., Buiks, A., Delespaul, Ph., Van Os, J., (2002b) Formation of delusional ideation in adolescents hearing voices: a prospective study. American Journal of Medical Genetics. 114: 913-920
Escher, A.D.M., Romme,M.A.J., Buiks, A., Delespaul, Ph., Van Os, J., (2002,c) Kinderen en jeugdigen die stemmen horen: een prospectief driejarig onderzoek. Tijdschrift van de Vereniging voor kinder en jeugdpsychotherapie. Jaargang 29, nr. 4. blz. 4-21.
Escher, A., Romme, M., (2002,d). Het Maastrichts Interview voor kinderen en Jeugdigen (MIK). Tijdschrift van de Vereniging voor kinder en jeugdpsychotherapie. Jaargang 29, nr. 4. blz. 22-45.
Escher, A., Delespaul, P., Romme, M., Buiks, A., Van Os. J. (2003,a) Coping defence and depression in adolescents hearing voices. Journal of Mental Health. 12,1,91-99
Escher, A., Morris, M., Buiks, A., Delespaul, Ph., Van Os, J., Romme, M. (2004) Determinants of outcome in the pathways through care for children hearing voices. International Journal of social Welfare. 13, 208-222
Escher. A. (2004). An exploration of auditory hallucinations in children and adolescents, M.Phil. University of Central England, Birmingham. UK
Escher, A. (2005) Making Sense of Psychotic Experiences Proefschrift. Universiteit van Maastricht.
Garralda, M.E. (1984). Psychotic children with hallucinations. British Journal of Psychiatry, 145, 74-77
Green,E.L. et al. (1973). Some methods of evaluating behavioral variations in children 6 to 18. Journal of the American Academy of Child Psychiatry, vol. 12 (3), 531-553.
Lukoff, D. Neuchterlein, K.H., Ventura, J. (1986), Manual for expanded Brief psychiatric Rating Scale. Schizofrenia Bulletin, 12, 594-602.
McGee, R., Williams, S., Poulton, R. (2000). Hallucinations in non-psychotic children (letter, comments). Journal of American Academic Child and Adeloscent Psychiatry , 39 (1), 12-13
Posey, T.B., Losch, M.E. (1983-84). Auditory hallucinations of hearing voices in 375 normal subjects. Imagination, Cognition and Personality, 3 (2), 99-113
Posey, T.B. (1986). Verbal hallucinations also occur in normals. The behavioural and Brain Sciences, 9, 530.
Putman, F.W., Peterson, G. (1994). Further validation of the child dissociative checklist. Dissociation (7) 204-220.
Romme, M.A.J., Escher , A.D.M.A.C (1999).Omgaan met stemmen horen: een gids voor hulpverlening. Project Stemmen Horen. Universiteit Maastricht.
Romme, M.A.J., Escher, A.D.M.A.C. (2002). Effectieve en minder effectieve behandelingen van stemmen horen bij kinderen en jeugdigen. Tijdschrift van de Vereniging voor kinder en jeugdpsychotherapie. Jaargang 29, nr. 4. blz. 46-67.
Shaffer, D., Gould, M.S., Brasic, J., Ambrosini, P., Fisher, P., Bird, H., Aluwahlie, S. (1983). A children’s global assessment scale (CGAS). Archives of General Psychiatry 40 (11) 1228-1231.
![]()