 |
Herstel
Wilma Boevink, Trimbos-instituut, Utrecht,
Lezing tijdens de open dag van de Stichting Weerklank op 26 juni 2004 in Baarn.
'In één van mijn psychosen
begon de wereld, inclusief ikzelf, in slowmotion te draaien. Weliswaar
had ik een zeer verscherpt gehoor, ik hoorde alles, maar mijn lijf bewoog
heel langzaam. Als ik in mijn hoofd de wil had om mijn arm op te tillen,
dan duurde het eeuwen voordat die boodschap mijn arm had bereikt. Het
was net of ik in dik water zat en alleen in slowmotion kon bewegen. Hetzelfde
gold voor de beweging om mij heen: alles ging vertraagd. Dat waren heel
beangstigende ervaringen die, zo schat ik achteraf in, soms uren aanhielden.
Het gekke is dat tijd in die toestand voor mij niet bestond. Ook de tijd
bevond zich in dik water. Het is een soort luchtledigheid, niemandsland.
Niet in het echte leven, maar ook niet dood.'
Een herstelverhaal begint denk ik
onvermijdelijk met psychisch lijden. Daar ontkom je niet aan, al was het
maar omdat je moet benoemen wat het is waarvan je moet herstellen. Een
herstelverhaal maken betekent dat je probeert om dat lijden onder woorden
te brengen. Overweldigende ervaringen leren benoemen, bijvoorbeeld die
in een psychose, vergroot de kans dat je ze het hoofd kunt bieden. Dat
je zelf er niet in zoek raakt en er nog iets overblijft van je gevoel
een persoon te zijn. Herstel betekent dat je tegen jezelf leert zeggen
dat je niet je stoornis bent. Dat je in de eerste plaats een mens bent
en daarnaast een aandoening hebt. Ik heb me lange tijd een stoornis gevoeld.
In de tijd tussen mijn zeventiende
en mijn eenentwintigste jaar had ik vrijwel voortdurend psychotische ervaringen.
Of misschien had ik gewoon één lange psychose. Mijn gehoor
speelde daarin voor mij een belangrijke rol. Mijn oren zaten vaak dicht,
soms wekenlang. Dan hoorde ik de wereld alleen door een dikke laag watten
heen, hetgeen me erg onzeker maakte. De geluiden verwrongen ook, kwamen
anders, dreigender over. Op enig moment kwam daar het geluid in mijn hoofd
bij. Dat lawaai was voor mij berichtgever van het Kwaad. Het was mijn
bestraffing. Niemand had in de gaten hoe slecht ik was, alleen het Kwaad,
dat zich door dat geluid kenbaar maakte. De geluiden, bliepjes en fluittonen
werden erger als ik iets verkeerd had gedaan. Ik communiceerde met dat
lawaai. Ik dacht ook dat ik de enige was die zoiets had. Het stond voor
mij erg op de voorgrond. Het bepaalde mijn gangen en mijn handelen.
Aan de vooravond van mijn 21ste verjaardag werd ik opgenomen in een psychiatrisch
ziekenhuis. Toen ik daar na drie jaar vertrok, was ik helder in mijn hoofd
en stond ik met beide benen op de grond. En wat niet goed was, had ik
geleerd te verzwijgen. Ik voelde me vooral een psychiatrisch patiënt.
Ik beschouwde mezelf als drager van een stoornis waar ik geen greep op
had. Feitelijk was ik erg vervreemd van mezelf. Ik bezag mezelf van buitenaf,
als een soort buitenaards wezen, waarvoor een strakke aanpak gold. Bij
een opleving van symptomen was er de arts, het ziekenhuis en de pillen
en verder gold vooral: blijf in het hier en nu, stel je ambities naar
beneden bij en overdag ben je wakker en 's nachts moet je slapen. Ik vertrouwde
mezelf helemaal niet, want elk moment kon immers die stoornis de kop opsteken.
Ik had een duistere kant, een kant die ik niet kende en niet durfde te
verkennen. Ik dacht niet na over wat er aan mijn opname vooraf was gegaan
en ik dacht niet na over wat daar de betekenis van was. Het enige wat
ik probeerde was zo ver mogelijk bij mijn ondergrens uit de buurt te blijven.
Dat werd ook gestimuleerd door de hulpverleners waar ik in de loop der
jaren mee te maken kreeg. De algemene opvatting is toch nog steeds dat
praten over een psychose het risico van een volgende psychose vergroot
en dat je het daarom niet moet doen. Ik dekte het dus toe, die zieke kant
in mezelf. Ik wilde er niet naar kijken, ik mocht er niet naar kijken
en we hoopten er allemaal maar het beste van.
Een tijdlang ging dat goed en lukte het me om stabiliteit in mijn leven
te verwerven. Ik ben jarenlang vrij geweest van psychosen. Mijn aandoening
raakte naar de achtergrond. Eerlijk gezegd dacht ik dat ik 'm overwonnen
had, dat ik 'm te slim was afgeweest. Feitelijk was ik ervan overtuigd
dat me nooit meer iets zou overkomen als van voor mijn psychiatrische
opname. Ik had een partner, een baan, een huis. Alles was anders. Totdat
ik kort op elkaar enkele schokkende gebeurtenissen meemaakte en bovendien
moeder werd. Toen werd ik opnieuw psychotisch.
Mijn herstelverhaal - en dat van
veel andere mensen met een psychische aandoening - gaat over leren omgaan
met wat niet te genezen of weg te maken valt. Voor mij is dat onder andere
mijn psychosegevoeligheid. Herstel gaat niet over genezing. Voor velen
van ons gaat de psychiatrie niet over genezing. Ik denk dat we die illusie
los moeten laten. Die houdt ons passief. Het maakt dat we blijven wachten
op interventies van professionals of op iets dat medicijnen zouden moeten
bewerkstelligen. Beter is het de psychiatrie te zien als hooguit een middel.
De psychiatrie is hooguit een middel dat te gebruiken is bij ons herstel.
Herstellen betekent echter vooral dat je zelf in beweging zal moeten komen.
Ik heb in de loop van de tijd het
een en ander geleerd over mijn psychosegevoeligheid. Bijvoorbeeld dat
ik na een slechte tijd op krachten moet komen. Letterlijk, omdat je na
een psychose gewoon uitgeput bent. Maar ook figuurlijk. Het voelt na een
psychose niet meteen alsof je op jezelf kunt bouwen. Je staat niet meteen
weer stevig op eigen benen als je hebt ervaren hoe onleefbaar het leven
kan zijn voorbij bepaalde grenzen. Als je eenmaal van het bestaan van
die grenzen weet, is er nog maar weinig vanzelfsprekend. Er is een enorme
kwetsbaarheid die je te boven moet komen. Je moet jezelf en de wereld
opnieuw uitproberen en je moet testen hoe de dingen werken. En omdat het
zelfvertrouwen weg is, is dat een hachelijke onderneming. Je moet het
juiste evenwicht vinden tussen doen en laten, tussen jezelf afschermen
van de dynamiek van het leven en aan dat leven deelnemen. Je moet de vanzelfsprekendheid
van het dagelijkse leven herwinnen. Dat is òòk een kwestie
van tijd, van elke dag zonder calamiteiten optellen bij de vorige. En
als het leven dan een tijdje goed gaat, kun je heel voorzichtig wat achterover
leunen omdat je misschien wel het ergste hebt gehad.
Inmiddels weet ik ook dat het je
verder kan helpen om de psychose onderwerp van gesprek te laten zijn.
Om het niet te negeren of uit de weg te gaan. Over je psychose praten
moet je misschien niet doen als je nog in de naweeën van de vorige
zit. In de eerste tijd na een psychose is er zo'n schemergebied waarin
het kwartje beide kanten op kan vallen. Praten over de psychose is dan
een garantie voor de verkeerde kant. Als je helder bent, is het veiliger,
hoewel nog steeds niet zonder risico's. Toch heb ik er wel wat aan gehad
om te verkennen wat er aan mijn psychosen vooraf gaat. Wat de triggers
of stressfactoren zijn die een psychose inluiden. Inmiddels heb ik aardig
zicht op wat mijn alarmbellen zijn, op wat bij mij de voortekenen zijn
van een naderende psychose. Dat kun je leren door achteraf een reconstructie
te maken. Wat ging er mis en wanneer ging dat mis? Waardoor ging ik dit
keer aan het schuiven? Op welk moment had ik de psychose zelf nog een
halt toe kunnen roepen en hoe dan? Wanneer zagen de mensen om mij heen
voor het eerst dat het mis ging? En waaraan zagen ze dat dan? En zou je
kunnen zeggen dat dat eigenlijk wel vaker mijn alarmbellen zijn? Boosheid
die niet overgaat, steeds meer alcohol, nachtbraken … Die kwaadheid is
dan alarmfase 1, de alcohol alarmfase 2 en als dat leidt tot nachtbraken,
dan kun je er op wachten, dan gaat het vast mis. Zo kun je alle voortekenen
van een crisis inventariseren, ze indelen naar alarmfase en per fase een
set van te ondernemen stappen bedenken. Het is denk ik vooral van belang
dat je leert in een zo vroeg mogelijk stadium het tij te keren, zodat
je er zonder al te veel kleerscheuren van af komt.
Ik leer ook mijn psychotische ervaringen
te beschrijven. Dat ontdoet ze van hun dreigende werking. Zo heb ik ontdekt
dat bepaalde hallucinaties op zichzelf niet bedreigend zijn. Het is het
feit dat ik iets zie waarvan ik weet dat het er niet zou moeten zijn,
dat me doet verstijven van angst.
Ook heb ik een volgorde ontdekt in de opbouw van mijn psychosen. Eerst
is er een ontregeling van betekenissen. De wereld is niet langer herkenbaar
voor mij, er klopt iets fundamenteel niet meer in de wereld. Dat levert
mij een beklemmend gevoel op. Dan ga ik dingen zien die er niet zijn en
om dat weer kloppend te maken, bouw ik een eigen denk- of waansysteem
op. Als ik eenmaal zover ben, is het uitermate moeilijk om het tij nog
te keren, omdat elke reactie van anderen wordt ingepast in mijn waandenken.
Elke reactie van anderen bevestigt in dat stadium alleen maar wat zich
al aan kwaad in mijn hoofd heeft genesteld. De ontdekking van die volgorde
is voor mij dan ook van groot belang. Die stelt me in staat het contact
met anderen in stand te houden. Al in het stadium van de ontregeling van
betekenissen en de beklemming probeer ik dat bij anderen bespreekbaar
te maken. Toch garandeert dat geen preventie van een psychose. Ik heb
ook geleerd dat zicht op je alarmsignalen niet het wondermiddel is dat
we er graag van zouden willen maken. Zelfmanagement is maar tot op zekere
hoogte mogelijk. Een psychose blijft verraderlijk.
Een psychose blijft verraderlijk.
En ik geloof niet dat medische opvattingen je kunnen helpen om daar mee
om te gaan. Volgens mij is een belangrijk kenmerk van herstel het overwinnen
van je psychiatrische diagnose. Volgens mij gaat herstel om het voorbij
de diagnose zien waar je wèrkelijk mee om moet gaan en daar manieren
voor vinden. En het gaat er om dat je probeert te bevatten wat er met
je is gebeurd. Ik denk dat mijn herstel is begonnen op het moment dat
ik durfde terug te kijken op mijn leven. Tot dan toe was daar maar één
officieel verhaal voor. Volgens dat verhaal had ik een psychiatrische
stoornis, waardoor ik in het psychiatrische ziekenhuis terecht kwam. Daar
werd ik behandeld en hoewel de aandoening niet valt te genezen, valt er
met de restverschijnselen wel te leven.
Dat is niet meer mijn verhaal. Ik kan er niks mee en ik geloof er niet
meer in. Mijn verhaal luidt heel anders. Daarin ben ik niet de drager
van een psychiatrische stoornis. In mijn verhaal is mijn psychiatrische
opname de uitkomst van een complex samenspel van factoren. In mijn versie
ben ik slachtoffer en getuige van onberekenbare agressie en geweld. Mijn
psychosen zijn zeker ook het gevolg daarvan. Waarom heeft nooit iemand
naar die omstandigheden gevraagd? Waarom vroeg niemand mij: 'Wat is er
toch gebeurd dat jij er gek van wordt?'. In de psychiatrie is men niet
gewend om dit soort voor de hand liggende vragen te stellen. De psychiatrie
wil een medische wetenschap zijn; zij richt zich op de pathologie van
het individu. Het vaststellen van de diagnose vraagt alle aandacht. En
zodra die diagnose bekend is, is ook een antwoord gevonden op alle vragen.
Vanaf dat moment wordt alles wat je zegt en doet logisch verklaarbaar
door het ziektebeeld dat men bij je heeft vastgesteld.
Slachtoffers van misbruik en mishandeling zullen niet zo snel als zodanig
erkenning vinden in de psychiatrie. Als we dat al zoeken. Velen van ons
kampen immers met enorme schuldgevoelens, met de overtuiging zelf debet
te zijn aan het misdrijf waar we in werkelijkheid slachtoffer van zijn.
Op de meest uiteenlopende manieren zoeken we naar bevestiging van onze
schuld en slechtheid. Door als patiënt in de psychiatrie verzeild
te raken, handhaven we in feite de patronen die ons overbekend zijn. In
wezen prolongeren we zo ons slachtofferschap. Zo worden we bevestigd in
onze overtuiging dat wij het zijn die niet deugen. Op de meest uiteenlopende
manieren ook straffen we onszelf daarvoor. Patiënt zijn in de psychiatrie
zou je in wezen ook een vorm van automutilatie kunnen noemen.
Terugzien op wat er met je is gebeurd en daarover je eigen verhaal maken
is een wezenlijk onderdeel van herstel. In feite herschrijf je je eigen
geschiedenis opdat en totdat deze bij je past. Het gaat er om dat je eigenaar
wordt van je eigen ervaringen. Het gaat er om dat de betekenis van die
ervaringen niet meer door anderen wordt bepaald, maar dat je die zelf
geeft.
Voor jezelf vaststellen wat tot
je opname heeft geleid - en daarvan leren - heeft tijd nodig en gaat met
vallen en opstaan. Herstellen is niet alleen maar een succesverhaal. Het
is belangrijk dat te realiseren: herstelprocessen verlopen niet volgens
één stijgende lijn. Er zijn vele lijnen en hun enige overeenkomst
is dat er geen één mooi recht omhoog loopt. Het is belangrijk
te leren waarom dat zo is.
Ik kijk terug op tijden waarin ik overdag alleen maar in bed lag en sliep.
Toen leek het alsof ik door apathie werd overvallen. Nu weet ik dat die
tijden ergens goed voor zijn geweest. Het was de enige manier waarop ik
kon bijtanken als het me allemaal te veel werd en het leven me te snel
ging.
Ik kijk terug op tijden waarin ik me terugtrok uit elk contact en ik dagenlang
geen mensen sprak. Zo'n isolement leek zomaar op te komen en onherroepelijk.
Nu weet ik dat ik het alleen zijn verkoos boven gezelschap, omdat ik mezelf
dreigde te verliezen. Het is moeilijk sociaal te zijn als je het overzicht
kwijt bent.
En ik heb soms tijden waarin bij mij de emmer weer overloopt. Dat zou
je kunnen zien als een opleving van symptomen, als een bewijs van een
voortwoekerende psychiatrische ziekte. Ik denk dat zo'n zienswijze mij
niet verder helpt. Ik probeer mijn moeilijke tijden niet als een terugval
te zien, maar eerder als leermomenten. Blijkbaar zijn er veranderingen
gaande, heb ik oude angsten te overwinnen en zijn er nieuwe paden te betreden.
Natuurlijk een crisis blijft een crisis, maar het helpt als je kunt zien
wat de betekenis ervan is, welk doel er mee wordt gediend.
Herstel betekent niet dat alles
goed komt. Sommige dingen komen niet meer goed. Daar moet je mee leren
leven. In de literatuur heet dat handicaps of psychische beperkingen.
Ik hou het liever op kwetsbaarheden of gevoelige plekken. Als je weet
waar die liggen, kun je jezelf een beetje ontzien. Dat scheelt een hoop
ellende. En het spaart je energie voor wat je wel kunt. Dat is goed voor
het zelfvertrouwen. Daarmee treedt in werking de wet van het toenemend
herstel.
Niet alles komt goed. Ik moet terugzien op tijden in mijn leven waarin
op z'n zachtst gezegd vreemd gedrag vertoonde. Het heeft geen zin om dat
te ontkennen. Dat was ìk en niet iemand anders. Hoe graag ik het
soms ook anders zou zien. En dan is er ook het stigma dat je als psychiatrisch
patiënt er gratis bij krijgt. En de woede over hoe onterecht dat
brandmerk is. Die woede over het brandmerk dat ik heb, terwijl anderen
vrijuit gaan - zelfs het recht nemen om me op m'n brandmerk te wijzen
- ontneemt me nu nog soms het zicht op het mijn eigen leven.
Nee, niet alles komt goed. Herstel betekent weliswaar dat je je wonden
likt, maar sommige littekens blijven altijd zichtbaar. Dat is pijnlijk,
zeker als je zover komt dat je opzij durft te zien en de vergelijking
durft te maken met de levensloop van andere mensen. Daaruit leid je af
hoe je leven anders had kunnen verlopen. Daaraan meet je af wat je hebt
gemist. Dat gaat gepaard met woede over wat niet meer is in te halen.
Soms is er zelfs haat jegens al die ogenschijnlijk gelukkige mensen met
hun ogenschijnlijk gemakkelijke levens. Dat is verraderlijk, want niets
is zoals het lijkt. Je daarin verliezen is een doodlopende weg. Het is
belangrijker dat er dan ook de trots is op hoe ver je zelf al bent gekomen.
Ik bedoel hier dat je diverse vergelijkingsmaten kunt hanteren. Er waren
tijden waarin ik me blindstaarde op al die normale mensen en het leven
dat zij leiden. Mèt een opleiding, een baan, een relatie, een huis,
kinderen zelfs. Bij een vergelijking van mijn situatie met waar ik had
willen zijn, kwam ik er slecht van af. Dan voelde ik mij een mislukkeling,
een idioot, niet de moeite waard om voor te leven. Maar gelukkig waren
er ook momenten waarop ik keek naar waar ik vandaan kwam. Dan voelde ik
mij de koning te rijk. Want ik was dan toch maar mooi uit de inrichting
gekomen. Tot zover had ik het dan toch maar gered. Het kan zeer bepalend
zijn of je je actuele situatie vergelijkt met waar je had willen zijn
of met waar je vandaan komt. En misschien is het op een gegeven moment
zelfs mogelijk te zien wat de winst is van je levensloop. Misschien kun
je op een gegeven moment zien dat je anderen iets te vertellen hebt, juist
vanwege je ervaringen.
Onze herstelverhalen gaan niet alleen
over onze pogingen het hoofd te bieden aan overweldigend psychisch lijden.
Ze gaan ook over hoe we ons staande houden en overleven in het psychiatrisch
zorgsysteem. Ik moet bijvoorbeeld terugzien op een langdurig verblijf
in een psychiatrisch ziekenhuis. Psychisch ziek worden en zorg nodig hebben
impliceert het betreden van een wereld waarin je per definitie je betekenisvolle
identiteit verliest. Je vervreemdt er van wie je was en van het leven
dat je leidde. Je ervaringen worden gefilterd op symptomen en je verhalen
gereduceerd ten behoeve van diagnostisch onderzoek. Persoonlijke betekenisgeving
wordt ingeruild door medische interpretaties. De betekenis van je ervaringen
wordt door anderen bepaald en de veelzijdigheid van je oorspronkelijke
identiteit wordt ingeruild voor de eenzijdigheid van de patiëntenrol.
Vervreemding treft cliënten van alle zorgsectoren, maar vooral die
van de geestelijke gezondheidszorg. Een psychische aandoening is vaak
verweven met wie je bent en de uitingsvormen kunnen je totale persoonlijkheid
beheersen. Het onderscheid tussen persoon en aandoening komt dan al snel
te vervallen en het is maar zo zelden dat dat onderscheid hervonden wordt.
Professionele zorg werkt vervreemding in de hand. De voorbeelden daarvan
zijn legio. Ze dringen zich op, zodra je het beeld van de patiënt,
met een diagnose en prognose, inruilt voor dat van een persoon met een
heel leven dat geleefd wil worden, waarbij daarnaast sprake is van een
aandoening of een handicap. Ik wil een paar willekeurige voorbeelden geven.
Uit efficiency overwegingen zijn psychiatrische behandelingen geconcentreerd
in psychiatrische ziekenhuizen. Daarmee zijn verzamelplaatsen van menselijk
leed gecreëerd. Bovenop het eigen lijden komt de ellende die je er
aantreft. Ik vind dat één van de tegenstrijdigheden van
de psychiatrie, dat mensen die enorm lijden, bij elkaar worden gezet en
dat we vervolgens verwachten dat ze daar beter van worden.
Het tegenovergestelde geldt eigenlijk voor de ambulante behandelcentra,
voorheen de RIAGG's. Zij zijn gehuisvest in gebouwen waar elke prikkel
stelselmatig wordt uitgeroeid. Van buiten suggereren de gebouwen dat zich
binnen een snel en succesvol zakenleven afspeelt. Van binnen lijken het
net stiltecentra. Uit niets blijkt nog dat de RIAGG's hun bestaansrecht
ontlenen aan het irrationele, aan psychisch lijden van mensen en aan waanzin.
Ook de organisatieprincipes van de RIAGG's staan geen gekte toe. Volgens
die principes kunnen we eens per paar weken of nog minder frequent langskomen
om in een half uur tot drie kwartier doeltreffend en gericht onze psychische
problematiek te bespreken. En daarna staan we weer buiten. Zo'n werkwijze
vraagt van ons een scherp zicht op de eigen behoeften, grote emotionele
beheersing en de beschikking over het juiste vocabulaire. En als we dat
niet in huis hebben, is de problematiek te zwaar en een opname geïndiceerd.
Ik zou het willen omdraaien. Ik vind dat je wel zeer getalenteerd moet
zijn om aan de organisatie-principes van ambulante behandelcentra tegemoet
te kunnen komen. Als dat niet lukt, dan zegt dat niks over de ernst van
onze problematiek of over onze individuele draagkracht, maar alles over
het tekortschieten van hoe de ambulante hulp is georganiseerd.
Een laatste voorbeeld van hoe professionele zorg vervreemding in de hand
werkt betreft de RIBW-en, de instellingen voor beschermd wonen. Nog altijd
geldt in veel van deze instellingen de doorstroomplicht. Verbetering van
functioneren leidt tot herindicatie voor zorgbehoefte. Concreet betekent
dat: als het iets beter met je gaat, moet je verhuizen naar een andere
beschermende woonvorm met een meer resocialiserend karakter. Individu
volgt organisatie in plaats van organisatie volgt individu. Het is nauwelijks
voor te stellen hoe ontwrichtend een dergelijk organisatieprincipe kan
werken in het dagelijks leven van RIBW-cliënten. Iemand sprak in
dit verband van doorstromingsterreur en ik denk dat dat niets teveel is
gezegd.
Onze herstelverhalen gaan zeker
niet alleen over onze pogingen het hoofd te bieden aan overweldigend psychisch
lijden. Ze gaan ook over hoe we de waan van de psychiatrie proberen te
overleven en ontgroeien.
Mijn psychiatrische opname heeft mij in diverse opzichten beschadigd,
hoe onbedoeld het misschien ook was. Als ik er aan terugdenk hoe onwaardig
het was om psychiatrisch patiënt te zijn, dan wankelt het zelfrespect
dat ik in de loop der jaren heb weten te bevechten. Als ik mij de vernedering
herinner die de patiëntenrol ook met zich meebracht, dan vergeet
ik in mijn woede dat ik me dat nu niet meer laat gebeuren.
Langdurig psychiatrisch patiënt zijn, kan betekenen dat je het gewone
leven verleert. Een psychiatrische opname betekent dat je de dagelijkse
omgeving die je gewend was, verruilt voor een ziekenhuisleven. Op de verschillende
rollen die je had in het normale leven, kind of partner, ouder, werknemer,
buurvrouw, wordt niet of nauwelijks nog een beroep gedaan. Je belangrijkste
rol wordt die van patiënt. Overigens moet je die rol niet onderschatten.
Zij vereist wel degelijk bepaalde vaardigheden, zoals bijvoorbeeld aanpassingsvermogen.
Als patiënt moet je je voegen naar het ritme en de regels van die
grote ziekenhuisorganisatie. Helaas is de grens tussen aanpassingsvermogen
en lijdzaamheid niet altijd even scherp. Die grens kan na verloop van
tijd gemakkelijk vervagen. En als de lijdzaamheid eenmaal overheerst,
heb je niets meer dat je er weer bovenop kan helpen. Dan ontstaat er een
situatie die tot in het einde van je dagen kan duren.
Ik kan me herinneren dat ik binnen het half jaar om was, dat ik niet meer
uit het ziekenhuis weg wilde, het eigenlijk wel prettig vond op de afdeling.
Ik had er alles wat ik nodig had en vond het er wel veilig met al dat
controlerend personeel. Ook in de weekeinden kwam ik niet meer van de
afdeling af en de buitenwereld veranderde steeds meer in de boze buitenwereld.
Langzaam maar zeker verbrak ik de lijntjes die ik nog had met 'zij daarbuiten'.
Overigens werd ik daarbij geholpen door mijn financiële situatie.
Van zak- en kleedgeld doe je niet veel buiten het ziekenhuis.
Je vermogen om het leven van alledag te leiden wordt er door een opname
veelal niet beter op, integendeel. Je bent niet meer gewend je eigen leven
te leiden. In een ziekenhuis wordt je ritme bepaald door die grote organisatie:
opstaan, eten, therapie, eten, rusten, wandelen, eten, televisie, slapen
en weer opnieuw opstaan. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend. Totdat
je in je eentje thuis zit en er niet meer de cadans is van die grote organisatie.
Dan gaat het helemaal niet meer als vanzelf en is een ritme al gauw ver
te zoeken.
Herstel gaat niet alleen over onze
psychische aandoeningen, maar zeker ook over de gevolgen daarvan. We worden
geconfronteerd met vooroordelen en een afnemende toleratie in de samenleving.
Dat raakt ons in onze sociale contacten, in onze woonwijk, in het onderwijs
en op de arbeidsmarkt. Regelmatig zijn er hetzes in de media, recentelijk
sloot ook het NRC aan in de rij, tegen onze pogingen te participeren in
de samenleving. Negatieve beeldvorming die niet gebaseerd is op feiten,
maar op emoties en het recht van de hardste schreeuwers. We hebben een
kabinet dat de economische recessie afwentelt op de mensen met de kleinste
portemonnee en de zwakste gezondheid. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
Herstel gaat zeker niet alleen over onze aandoeningen. Onze verhalen getuigen
ook van hoe we proberen om te gaan met de negatieve sociale en maatschappelijke
gevolgen.
Ik heb u een indruk willen geven
van wat herstel betekent. Het herstelconcept is een krachtig concept.
Het inspireert ons om onze verhalen te vertellen, ze op te schrijven en
ze te publiceren. Onze verhalenmakerij stelt ons in staat om onze patiëntidentiteit
te ontgroeien zonder de realiteit van ons psychisch lijden te ontkennen.
Herstel is een concept dat ons in staat stelt ervaringskennis te verwerven.
Op collectief niveau, in de patiëntenbeweging, doet het ons bewustzijn
groeien. We claimen het eigendomsrecht op onze subjectiviteit. Wij zijn
voortaan de eigenaren van onze verhalen. Onze aandacht verschuift van
ziekte, symptomen en patiënt zijn naar herstel, mogelijkheden en
ons eigen leven. We reageren niet langer slechts op het aanbod van psychiatrie
professionals. We nemen ook zelf initiatieven op het terrein van herstel,
empowerment en ervaringsdeskundigheid. Voor mij is het praten over en
samen werken aan herstel ook een politieke kwestie. Ik ben van mening
dat cliënten elkaar veel meer dan nu het geval is, kunnen helpen
en ondersteunen in hun proces van herstel. Ik denk dat er veel valt te
leren van de ervaringskennis die we in de loop der jaren hebben opgebouwd.
Die kennis stelt ons in staat verhalen te maken waarin we onszelf herkennen.
Verhalen waardoor we kunnen zeggen: zo is het, dit is wie ik ben en op
die manier kun je me helpen. Wij zien te weinig de rol die we zelf zouden
kunnen spelen. We verwachten nog te veel van hulpverleners. Hulpverleners
kunnen het herstelwerk niet voor ons doen. Dat is wat we zelf moeten doen.
Alleen als wij het zelf zo zien, kunnen we een begin maken met ons herstel.
wboevink@trimbos.nl |
|